Zeearend

Wat is het verband met intellectuele eigendomsrechten?

Welke intellectuele eigendomsrechten?

Het Nagoya Protocol en Verordening (EU) Nr. 511/2014 laten intellectuele eigendomsrechten buiten beschouwing. Echter, in de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en de Wereldorganisatie voor Intellectueel Eigendom (WIPO) is de relatie tussen genetische bronnen en intellectuele eigendomsrechten al lang een onderwerp van discussie.

Octrooirechten kunnen betrekking hebben op uitvindingen waarbij biologische materialen zijn betrokken. Een recent amendement bij de Nederlandse Rijksoctrooiwet beperkt het octrooirecht in die zin dat gepatenteerde materialen vrij mogen worden gebruikt voor verder onderzoek en veredeling door derden, maar dat de producten uit dergelijk onderzoek of veredelingswerk niet commercieel mogen worden uitgebaat.

In het geval van plantenrassen geldt niet het octrooirecht maar het kwekersrecht. Het kwekersrecht biedt de zogenaamde kwekersvrijstelling, die inhoudt dat derden een beschermd ras vrij mogen gebruiken voor verder onderzoek en veredeling, en de daaruit voortkomende producten vrij mogen verhandelen.

U mag intellectuele eigendomsrechten vestigen op producten die u heeft ontwikkeld met behulp van genetische bronnen verkregen onder de bepalingen van het Nagoya Protocol, CBD of ITPGRFA – maar alleen onder de voorwaarden die omschreven staan in uw Onderling overeengekomen voorwaarden (mutually agreed terms, MAT’s).

Voorwaarden voor intellectuele eigendomsrechten

Of u intellectuele eigendomsrechten kunt vestigen op een product dat u heeft ontwikkeld met behulp van een of meer genetische bronnen die u verworven heeft onder de bepalingen van het Nagoya Protocol, CBD of ITPGRFA, hangt geheel af van de voorwaarden met betrekking tot toegang en verdeling van voordelen die u bent overeengekomen bij de verwerving van de bronnen in kwestie. Voordelen kunnen alleen worden gedeeld als ze zich daadwerkelijk voordoen; in het geval van een commercieel product dat ontwikkeld is met behulp van genetische bronnen, kunnen die voordelen deels bestaan uit inkomsten uit intellectuele eigendomsrechten (licentie-inkomsten, royalty’s). Het is daarom van groot belang dat er in de Onderling overeengekomen voorwaarden (MAT’s), die u moet afsluiten ten tijde van het verwerven van de genetische bronnen in kwestie en die al uw rechten en plichten omschrijven, ook bepalingen over intellectuele eigendomsrechten en de verdeling van voordelen zijn opgenomen. Bescherming van intellectuele eigendom vindt in deze context vooral plaats via het octrooirecht en kwekersrecht, maar andere vormen zijn ook mogelijk, zoals bescherming via een handelsmerk of beschermde oorsprongsbenaming (geografische aanduidingen). Deze alternatieve vormen leveren mogelijk ook voordelen op die gedeeld kunnen worden.

Patent op DNA

Het aanvragen van een patent op een DNA-sequentie van een gen heeft weinig kans van slagen. U kunt het natuurlijk altijd proberen, maar de kans dat u het patent krijgt is klein, omdat de meeste landen het bepalen van de DNA-sequentie van genen niet langer als een uitvinding beschouwen. Octrooibescherming wordt pas mogelijk als u de DNA-sequentie tot een product heeft ontwikkeld, waarbij u de bepalingen van bijvoorbeeld het Nagoya Protocol of het ITPGRFA in acht heeft genomen. Daarnaast eisen de meeste octrooisystemen dat het praktische nut van het product kan worden aangetoond. Indien het product in kwestie is ontwikkeld met behulp van genetische bronnen die u onder de bepalingen van de CBD of Nagoya Protocol ter beschikking zijn gesteld, dan zullen uw rechten en plichten omschreven staan in de bilaterale overeenkomst (de MAT) tussen u en het land dat de genetische bronnen heeft geleverd.

Specifieke regels voor gewassen

Bij gewassen kunnen zowel het kwekersrecht als het octrooirecht wettelijke bescherming bieden. In het geval dat de genetische bronnen waarmee het product is ontwikkeld deels of geheel afkomstig zijn uit het multilaterale systeem (MLS) van het ITPGRFA, dan zijn er geen onderhandelingen nodig of mogelijk. De Standaardovereenkomst inzake overdracht van materiaal (standard material transfer agreement, SMTA) bevat vaste bepalingen met betrekking tot de verdeling van voordelen. Indien u een genetische bron heeft verworven die vermeld staat in Bijlage I van het ITPGRFA en die aan u ter beschikking is gesteld op basis van een SMTA, dan mag u kwekersrecht vestigen op een product dat met behulp van die genetische bron is ontwikkeld. Omdat een dergelijk product genetisch materiaal bevat van een door het MLS ter beschikking gestelde genetische bron (of dit nu een boerenras, een wilde verwant, of een verbeterd ras is dat niet langer wordt verhandeld), zal u worden gevraagd om een vrijwillige bijdrage te geven aan het fonds voor de verdeling van voordelen (Benefit-Sharing Fund) van het ITPGRFA. Daarnaast mag u octrooirechten vestigen op een product dat genetisch materiaal bevat uit boerenrassen of wilde verwanten waarvan de genetische bron door het MLS aan u is geleverd, maar dan geldt dat u verplicht bent om de voordelen te delen (in dit geval de opbrengsten van het patent) via het Benefit-Sharing Fund van het ITPGRFA.

Nederlandse plantaardige genetische bronnen die niet in Bijlage I van het ITPGRFA vermeld staan en die verkregen zijn uit gewasverzamelingen voordat de CBD in werking trad, zijn toegankelijk onder dezelfde voorwaarden en bepalingen als de genetische materialen die deel uitmaken van het MLS van ITPGRFA. Hiervoor gelden dus dezelfde regels voor het vestigen van octrooirecht en kwekersrecht als hierboven beschreven. In andere landen kunnen er voor deze categorie genetische bronnen andere regels (toegangsvoorwaarden) gelden.

Over de vraag of Verordening (EU) Nr. 511/2014 ook geldt voor genetische bronnen die verworven zijn onder de kwekersvrijstelling van het kwekersrecht, bestaat binnen de Europese Unie nog discussie. De Nederlandse regering is van mening dat de Verordening op een dusdanige manier moet kunnen worden toegepast dat het noch een onredelijke extra administratieve last oplevert noch de kwekersvrijstelling aantast. In de Nederlandse wet voor de implementatie van de Verordening komt deze kwestie niet aan de orde, en dus zal de toekomstige interpretatie van de Verordening bepalen hoe beide rechtssystemen zich op dit gebied tot elkaar zullen verhouden.

Openbaarmaking van oorsprong (disclosure of origin)

Onder Verordening (EU) Nr. 511/2014 bent u bij het aanvragen van intellectuele eigendomsrechten niet verplicht om bewijsstukken te overleggen met betrekking tot de oorsprong van de genetische bronnen die u voor onderzoek en ontwikkeling heeft gebruikt. U moet echter wel aan de bevoegde autoriteiten verklaren dat u uw plichten ten aanzien van passende zorgvuldigheid (due diligence) heeft vervuld als gebruiker van genetische bronnen (of daarmee verbonden traditionele kennis) in de laatste ontwikkelingsfase van het met deze bronnen of kennis ontwikkelde product.

In sommige landen (zoals Denemarken en Zwitserland) is het wettelijk verplicht om bij het aanvragen van octrooibescherming de oorsprong van de genetische bronnen waarmee het product in kwestie is ontwikkeld openbaar te maken; in andere landen worden aanvragers van intellectuele eigendomsrechten enkel aangemoedigd om dit te doen. In landen waar openbaarmaking van oorsprong verplicht is, moet u aan de autoriteiten een internationaal erkend certificaat van naleving (certificate of compliance) kunnen overleggen, of gelijkwaardige informatie met betrekking tot de genetische bronnen die gebruikt zijn voor de ontwikkeling van het product dat u wilt beschermen middels intellectuele eigendomsrechten.

In Nederland is openbaarmaking van oorsprong niet verplicht.